Geschiedenis
"Boeren Leidse kaas" is oorspronkelijk een bijproduct van de boterbereiding.
In het verleden was melkvet een belangrijk en kostbaar voedingsmiddel. Dit voedingsmiddel werd op de markt gebracht als boter.
De productie van boter vond plaats in de nabijheid van de woonplaatsen van de consumenten.
Dit verklaard waarom boterproductie merendeels op boerderijen in het westen van het land plaatsvond.
Na het onttrekken van de room aan de melk ten behoeve van de boterproductie resteerde magere melk, de zogenoemde ondermelk.
Deze melk werd wel aan jonge dieren (kalveren) gevoerd. Het meest kostbare deel van de melk werd immers via de boter
tot waarde gebracht.
De ondermelk werd echter ook wel aangewend voor de productie van magere kaas, een product dat zich in een groeiende belangstelling mocht verheugen.
Algemeen wordt aangenomen dat deze magere kaas onder andere gebruikt werd als proviandering voor de scheepvaart, zoals naar de oost en vele andere streken.
De kaas liet zich door het lagere melkvetgehalte beter bewaren dan volvette kaas, vooral bij hoge temperaturen (de tropen).
De kaas uit de omgeving van Leiden werd bij uitstek bekend om zijn verfijnde smaak. Aan deze kaas werd komijnzaad toegevoegd
en zo sprak men van Leidsche Kaas.
De tijd dat Boeren-Leidsekaas werd beschouwd als een bijproduct ligt reeds ver achter ons.
Inmiddels is de boter een bijproduct geworden van de Boeren-Leidse kaasbereiding.
|